haaft pekaar 

De Zeven bruiden

Nezami Gandzjawi 

 

 


INHOUDSOPGAVE:

KLIK A.U.B. OP UW KEUZE; MET EEN TERUGKLIK BENT U WEER BIJ DE INHOUDSOPGAVE.

INLEIDING

de Zeven bruiden

1. De bruid van de zaterdag, Noeraak, 

de koningin uit Hindoestaan

2. De bruid van de zondag, Hoomay, 

de koningin uit het Romeinse Rijk

3. De bruid van de maandag, Dorosti, 

de koningin uit PerziŽ

4. De bruid van de dinsdag, Naasrin-Noesj, 

de dochter van de koning van SlavoniŽ

5. De bruid van de woensdag, Azaariyoen, 

de dochter van de koning van Marokko

6. De bruid van de donderdag, Jaaqma-Naz, 

de koningin uit China

7. De bruid van de vrijdag, Naz-Paari, 

de koningin uit de Sasaniden dynastie


INLEIDING

 

Waarom heb ik de gedichten "De Zeven Bruiden" gemaakt?

Net zoals Zaand* heeft gedaan in zijn kleurrijke boek, heb ik de Zeven Koepels, de Zeven Hemelen en de Zeven Bruidsverblijven in mijn boek opgesierd met de Zeven Bruiden. Als de Zeven Hemelen met Zeven Kleuren naar mijn bruiden kijken, zullen zij zich in mijn bruiden herkennen. De Zeven Sterren en de Zeven Kometen zullen hun oorsprong vinden in mijn zeven bruiden.


DE ZEVEN BRUIDEN

"Op een zorgeloze dag, toen koning Baahram van PerziŽ ontspannen met zijn hovelingen in zijn paleis zat, kwam hij op de dachte, dat hij graag, naast zijn Perzische koningin Dorosti, voor alle overige dagen van de week een bruid uit een andere beschaving zou willen hebben.

Dus vroeg hij de hand van Naz-Paari, een prinses uit de Sasaniden-dynastie en hij betaalde voor haar een aanzienlijke bruidsschat.

Ook vroeg de koning de hand van de prinses Jaaqma-Naz, de dochter van de keizer van China. Vervolgens de hand van prinses Hoomay, de dochter van de keizer van het Romeinse Rijk.

Daarna prinses Azaariyoen, de dochter van de koning van Marokko.

Toen vroeg hij de hand van prinses Noeraak, de dochter van de koning van Hindoestan.

Tenslotte, prinses Naasrin-Noesj, de dochter van de koning van SlavoniŽ .

Koning Baahram bracht elke nacht van de week met ťťn van zijn bruiden door en elke avond

vertelde ťťn van zijn bruiden hem dan een boeiend verhaal uit haar land van herkomst....."


1- De bruid van de zaterdag, de Hindoestaanse koningin Noeraak, in de zwarte koepel

 

Op een zaterdag in de namiddag ging koning Baahram naar zijn Hindoestaanse vrouw en groette haar vriendelijk. De koningin brandde wierook uit haar eigen land en zij hadden het gezellig samen. In de avond vroeg Baahram zijn vrouw een verhaal uit haar geboorteland te vertellen.

" Graag Majesteit", zei Noeraak. "In mijn kindertijd kwam er elke maand een prachtige dienares naar het paleis van mijn vader, die ons, de kinderen, verhalen vertelde en gedichten voorlas. Deze vrouw droeg alleen maar zwarte zijden kleding. Ik was nieuwsgierig en ik vroeg haar waarom ze altijd in het zwart gekleed was. De vrouw zei, dat het beter was geen antwoord op mijn vraag te geven, maar door de manier waarop ik het vroeg begon ze toch te vertellen. Ze zei dat ze de dienares geweest was van een koning, die inmiddels gestorven is. "Ik heb het altijd goed gehad bij hem. Zijn grote koninkrijk was zo veilig, dat een lam onbevreesd naast een wolf leefde. Hij had een paleis dat speciaal bestemd was voor gasten. De beste dienaren en dienaressen brachten de gasten de lekkerste gerechten en dranken, die er in het hele land te vinden waren. De koning had de gewoonte elke dag naar dit paleis te gaan, mee te eten en te drinken met zijn gasten en dan ťťn van hen uit te nodigen een verhaal uit zijn land te vertellen, tot op een dag de koning brak met deze traditie en niet meer in het gasten-paleis verscheen. Na geruime tijd verscheen de koning plotseling weer, maar nu van top tot teen gekleed in zwarte rouwkleding en niemand wist waarom en niemand durfde dat ook aan de koning te vragen.

Op een avond ging ik naar het paleis, waar de koning woonde. "Zie wat een noodlot het leven mij heeft gebracht", zuchtte de koning. "Maar Majesteit!" zei ik. "Ik was altijd een goede gastheer voor iedereen" zei de koning, "en ik luisterde elke dag naar een verhaal. Dat was mijn leven en ik genoot daarvan. Op een dag echter kwam er een vreemdeling bij mij, wiens schoenen, mantel en broek allemaal zwart waren. Ik vroeg hem waarom hij alleen zwarte kleding droeg. De vreemdeling zei mij, dat hij mij dat niet kon vertellen. "Niemand kan dat begrijpen", zei hij, "of zijn eigen kleding moet ook zwart zijn." Ik werd nieuwsgierig en drong verder aan, waarop de vreemdeling zei: "Ik zal het u vertellen, maar ik hoop, dat u mijn verhaal kunt begrijpen. In China bestaat een stad, die zo mooi is als de hemel. De naam van die stad is: de Stad der Rouwenden. De bewoners van die stad zijn echter heel mooi, maar hun kleding is altijd zwart." De vreemdeling zweeg omdat hij toch eigenlijk niet verder wilde vertellen en ging weg. "Toen", zei de koning, "wilde ik toch het hele verhaal kennen. Daarom verliet ik mijn land en reisde ik naar de Stad der Rouwenden, een stad als de hemel op aarde met mooie mensen, maar allemaal in het zwart gekleed. Ik was daar al een jaar maar nog steeds wilde niemand van de bewoners mij het geheim van de stad vertellen.

Op een dag kwam ik bij een slager om vlees te kopen. Ik deed dat toen elke dag en bracht regelmatig een cadeautje voor hem mee. Wij werden vrienden en op zekere dag nam hij mij mee naar zijn huis. Hij zorgde voor heerlijke gerechten en dranken en hij was de beste gastheer die je je maar denken kon. In de loop van de avond zei de slager tegen mij: "Je hebt me al zoveel cadeautjes gegeven; wat kan ik nu eens voor jou doen?" Ik gaf hem weer een sieraad en zei:"Zal jij alles doen wat ik je vraag?" "Ja zeker," zei de man. Ik vroeg hem toen waarom de bewoners van de Stad der Rouwenden zonder dat er iemand dood was gegaan altijd zwarte kleding droegen en waarom ze niet lachten. De slager vluchtte bevreesd als een lam voor een wolf naar de andere kant van zijn huis. Na een uur kwam hij weer bij mij terug en zei: "Jij hebt een moeilijke vraag gesteld, maar ik zal je vraag beantwoorden omdat ik dat beloofd heb, maar je moet even wachten tot het donker is." Toen het nacht geworden was zei hij tegen mij:"We gaan nu naar buiten". Wij liepen een paar straten door en kwamen bij een ruÔne, waar een grote mand stond. Hij zei tegen mij: "Ga in de mand zitten en kijk naar de hemel en dan weer naar de aarde en dan zal je begrijpen waarom de mensen hier zwarte kleren dragen en niet lachen. Jij zult het ervaren zolang jij in de mand zit." Toen ik in de mand zat voelde ik, dat hij, als betoverd, begon te vliegen. We vlogen zo hoog als de maan en ik was doodsbang. Ik was zo bang dat ik niet naar de hemel en ook niet naar de aarde durfde kijken. Plotseling zag ik een grote vogel, die naast mijn mand vloog en ik dacht: "Ik heb er genoeg van. Als ik een poot van die vogel pakken kan, kan ik misschien mee terug naar de aarde." Dit bedenkend pakte ik een poot van de vogel en de vogel nam mij mee. Hij vloog eerst omhoog in de richting van de zon, waar ik last had van teveel zonnewarmte. Daarna vloog hij naar een koele schaduwplek, waar ik de poot van de vogel losliet en mezelf terug vond in een prachtige tuin met rozen, fruit en met het mooiste, dat je maar bedenken kunt. Ik lag wat te luieren toen ik een groep prachtige vrouwen zingend en dansend de rozentuin binnen zag komen. Ze legden een kleed op de grond en een aantal kussentjes om op te zitten. Op het kleed werden wijn, noten, suikergoed en allerlei heerlijkheden uitgestald. Ze staken kaarsen aan en het feest begon. Even later verscheen een edelvrouw die zo mooi was als de maan, die de aarde beschijnt. Ze was als een edelsteen in een ring, omgeven door een aantal prachtige gezelschapsdames. Ze zette zich neer op de voor haar bestemde plaats, keek om zich heen en zei: "Hier in de buurt moet zich een aardse man bevinden". Ze verhief haar stem: "Kom te voorschijn en kom bij mij!" Ik liep in haar richting, kuste de grond en wilde op enige afstand van haar gaan zitten. "Sta op", zei ze. "Waar jij wilt gaan zitten is de plaats van mijn bedienden. Jij bent mijn ere-gast en jouw plaats is naast mij." "Edele vrouw", zei ik, "ik ben alleen maar een aardse man. Uw troon is als de troon van de koningin van Seba. Naast u hoort Salomo en niet een aardse man zoals ik." "Jij moet niet verder protesteren," zei ze. "Een ere-gast hoort op de beste plaats van het huis; kom dus naast mij zitten." Een van haar gezelschapsdames bracht mij naar voren; ik kuste de hand van de edelvrouw en zette mij naast haar neer.

De vrouwen brachten de wijn en het heerlijke eten rond; de muzikanten speelden en iedereen amuseerde zich. Langzamerhand werd iedereen dronken van de wijn. Hierdoor en door de lieftalligheid van de edelvrouw begon ik haar voeten te kussen; ik bleef haar kussen tot haar "niet verder" mij deed stoppen. Ik vroeg haar: "Mijn lief, wat is jouw naam?" en zij antwoordde: "Mijn naam is Toork-Taz."

Wij genoten verder van de wijn, van de heerlijke maaltijd en van de liefde. Ik vroeg haar om een kusje maar ik kreeg er wel duizend tot ze zei: "Nu niet verder gaan. Je mag echter de nacht doorbrengen met een van mijn gezelschapsdames en je mag er zelf een uitkiezen."

Daarna vertrok zij en ik ging met de door mij uitverkoren dame mee naar haar slaapplaats. Wij vleiden ons neer op haar donzen bed en bleven daar tot de volgende ochtend. Die morgen begeleidde ze mij naar de wasplaats; ze waste mij met rozenwater en ik voelde me alsof alle sterren aan de hemel mijn bedienden waren. Na een heerlijk ontbijt viel ik weer in slaap en ik ontwaakte pas weer tegen de avond.

Net als de vorige dag kwamen alle dames weer bij elkaar en werd er weer feest gevierd met wijn en een heerlijke maaltijd. Ook Toork-Taz verscheen weer en net als de dag daarvoor zat ik naast haar; weer genoten wij van alle heerlijkheden en van de liefde totdat zij weer zei: "Nu niet verder maar over dertig dagen en nachten zal ik de jouwe zijn. Heb dus geduld." Weer bracht ik de nacht door met een van haar gezelschapsdames en dat ging een aantal dagen en nachten zo door. Tegen de avond van de dertigste dag kwamen de vrouwen weer in de tuin met de wijn en de heerlijke maaltijd en weer vroeg Toork-Taz mij naast haar plaats te nemen. We genoten weer van alle heerlijkheden en van onze liefde tot ze zei: " Vanavond ben ik voor jou maar wij moeten de tijd voor elkaar nemen en ervan genieten." Onder invloed van de wijn en van mijn liefde voor haar was ik te haastig en ze zei me geduld te hebben en de tijd te nemen. "Wat zou je graag willen?" vroeg ze mij en ik zei: "Het enige wat ik wil ben jij." Ze zei daarop: "Sluit je ogen," en ik sloot mijn ogen. Daarna zei ze: "Open nu je ogen weer." Ik opende mijn ogen en vond mezelf terug in de mand en naast de mand stond de slager. De slager zei tegen mij: "Wij hebben allemaal hetzelfde meegemaakt en vanwege het verlies van ons geluk dragen wij ook allemaal zwarte kleding." Toen zei ik tegen de slager: "Haal dan ook voor mij zwarte kleding." Daarop verliet ik de stad der Rouwenden en keerde terug naar mijn paleis. Ik kende nu het geheim van de bewoners van de Stad der Rouwenden. Sinds die tijd draag ik altijd zwarte kleding."

"Toen mijn koning zijn geheim geopenbaard had, besloot ik voortaan ook zwarte kleding te dragen," zei de prachtige dienares en ze droeg het volgende gedicht voor:

"De maan is mooi

in het zwarte van de nacht.

De man is jong

met zijn ravenzwarte haar.

In de zeven hemelen

bestaan er zeven kleuren

en de koning der kleuren

is de kleur zwart!"

 

Toen de bruid van de zaterdag, de Hindoestaanse koningin Noeraak, klaar was met haar verhaal, prees koning Baahram haar en samen vielen zij in slaap.


2-De bruid van de zondag Hoomay, de koningin uit het Romeinse rijk, in de gele koepel

 

Op een zondag, toen de bergen en de weiden verzadigd waren van de dag, nam koning Baahram een kan wijn en liep in een opgewekte stemming naar de gele koepel. Hoomaay had de kaarsen aangestoken en een feestelijke maaltijd voorbereid. Zij hadden het gezellig samen en later op de avond begon Hoomaay, zoals traditie geworden was, een verhaal te vertellen:

In een van de steden van Irak leefde een koning, die zo prachtig was als de eerste dag van de lente en wijs als een dag aan het eind van de zomer. Hij leefde al een lange tijd alleen en had nog nooit met een vrouw samen geleefd. Hij had veel verhalen over ontrouw van vrouwen gehoord en was er bang voor geworden; hij wilde zelfs helemaal geen vrouw. Toch had hij daar na een zekere periode geen vrede mee. Door bemiddeling van een oud, gebocheld wijf, dat in de bediendenverblijven van zijn paleis woonde, kreeg hij tegen betaling een dienares als minnares. Maar al binnen een week begon het gebochelde wijf de minnares op te stoken: "U bent zo mooi; u lijkt wel een prinses. U zou eigenlijk de koning moeten zeggen, dat u koningin wil worden. Dring daar Ďs nachts maar op aan." Hoe de koning al probeerde uit te leggen, dat de minnares tevreden moest zijn met de plaats, die ze had, het lukte niet. Hij kocht en verkocht via het gebochelde wijf, dat zo een aardige cent verdiende, de ene minnares na de andere, maar met iedere minnares had hij hetzelfde probleem. Zo kreeg de koning zo langzamerhand de bijnaam: "Vrouwenhandelaar".

Wat de koning ook probeerde om een goede vrouw te vinden, het lukte hem niet. Maar op een dag kwam er een man, die in vrouwen bemiddelde, bij de koning, die zei: "Er is in ons land een Chinese vrouwenhandelaar gearriveerd met duizenden nieuwe vrouwen. Onder hen is een meisje, dat op een engel lijkt. Ze straalt als een morgenster, haar lippen zijn robijnrood en haar ogen zijn smaragdblauw. Haar antwoorden zijn bitter maar haar lippen zijn zoet. Ik heb als bemiddelaar nog nooit zoín schoonheid gezien." De koning, die inmiddels een vrouwen-expert geworden was, gaf de man opdracht de Chinese vrouwenhandelaar bij hem te brengen.

Toen de handelaar aangekomen was vroeg de koning: "Hoe gedraagt het meisje, waarover de bemiddelaar mij heeft verteld, zich als ik haar wil hebben? Wat zijn haar goede en slechte eigenschappen?" De handelaar antwoordde: "Het bewuste meisje heeft heel veel goede eigenschappen en slechts ťťn slechte, waardoor iedereen, die het meisje Ďs avonds van mij kocht, haar de volgende dag weer terug bracht. Zo gauw een man tegen haar zegt, dat hij haar voor altijd hebben wil, antwoordt zei bitter: ik ben van niemand. Ik raad u aan dit meisje maar te vergeten en een andere keuze te maken." De koning volgde de raad van de handelaar op, maar vond geen geschikte minnares. Uiteindelijk vroeg hij het eerste meisje bij hem te brengen. Hij wilde het meisje kopen maar twijfelde, omdat hij aan haar ene slechte eigenschap dacht, waarover men hem had verteld. Uiteindelijk won zijn hart het van zijn verstand en hij gaf toch opdracht het meisje voor hem te kopen. Hij vermeed te zeggen, dat hij haar voor altijd hebben wilde en ze bleef al een aantal dagen bij hem in het paleis. Tot, op zekere dag, het oude gebochelde wijf weer op het toneel verscheen en probeerde ook dit Chinese op te stoken: "Oh mooie, lieve prinses, onze toekomstige koningin, goede morgen....."

Het Chinese meisje keek zoekend op zich heen en zei: "Ik zie helemaal geen prinses. Tegen wie praat u eigenlijk?" Het oude gebochelde wijf antwoordde: "Ik bedoel U." "Ik," zei het Chinese meisje, "Ik ben geen prinses; de koning heeft mij allen maar gekocht als zijn minnares en dat is alles." Toevallig hoorde de koning dit gesprek en hij dacht: "Oh, dat is ook met alle vorige meisjes gebeurd." Hij werd woedend en stuurde het oude gebochelde wijf uit zijn paleis weg. Ďs Avonds, toen hij weer samen was met zijn Chinese minnares, zei hij:"Liefje, destijds hadden de profeet Salomo en de koningin der Seba een depressieve, verlamde zoon. De koningin der Seba vroeg aan Salomo: "Jij bent toch een profeet. Wat kan toch de oorzaak zijn en weet jij een geneesmiddel. Als jij het zelf niet weet, vraag het dan aan de engel GabriŽl." Na een paar dagen ontmoette Salomo de engel GabriŽl en vroeg hem waarom zijn zoon zo depressief en verlamd was en wat daaraan te doen was. De engel GabriŽl zei: "De genezing van jouw kind is alleen mogelijk als jij en jouw vrouw, de koningin der Seba, altijd volkomen eerlijk tegen elkaar zijn. Als dat zo is, zal het kind genezen." Salomo vertelde zijn vrouw wat de engel GabriŽl hem gezegd had en vroeg haar: "Ik ben jouw echtgenoot en jij bent mijn echtgenote. Is het ooit gebeurd, dat jij naar een andere man verlangde?" De koningin der Seba antwoordde: "Jij bent profeet en jij bent het beste, dat ik ooit in mijn leven heb gehad. Maar als ik een mooie man zie, kan het gebeuren, dat ik naar hem verlang." Daarop riep haar zoon: "Kijk mama, ik kan mijn handen bewegen." Toen de koningin der Seba dit wonder zag zei ze tegen koning Salomo: "Kijk, doordat ik eerlijk was heeft onze zoon nu handen. Als jij nu eerlijk bent zal onze zoon ook voeten krijgen. Vergeef me dat ik je het volgende vraag: is er iets in deze wereld, wat van iemand anders is en wat jij heel graag zelf zou willen hebben?" Salomo antwoordde: "Alles wat je maar kunt bedenken heb ik wel. Maar toch, als er iemand bij mij op bezoek komt, kijk ik altijd nog of hij een cadeautje voor mij bij zich heeft." Op dat moment riep zijn zoon: "Kijk, ik kan staan en ik kom naar jullie toe lopen."

Nadat de koning dit verhaal aan zijn Chinese minnares had verteld zei hij: "Zie je nu hoe gelukkig je kan worden als je eerlijk bent tegenover elkaar en eerlijk met elkaar omgaat.

Jij bent zo jong en zo mooi, waarom heb jij de slechte eigenschap dat je niemand wilt toebehoren?" Het meisje dacht hierover na en besloot, dat het goed zou zijn een eerlijk antwoord te geven. Ze zei: "Alle vrouwen in onze familie, die hun hart schenken aan een man, zwanger werden en een kind kregen, overleden tijdens de bevalling. Ik hou heel erg van mijn leven en wil het niet verliezen. Ik wil dus aan niemand toebehoren. Nu weet U mijn geheim. U moet nu zelf maar beslissen of U mij bij U wilt houden of dat U mij nu wilt verkopen. Ik heb echter ook een vraag aan U en hoop, dat U daar eerlijk op wilt antwoorden. Waarom krijgt U zo snel genoeg van een vrouw; waarom wordt U nooit verliefd op een vrouw en kunt U niet een maand of langer met haar doorbrengen?" "Tot nu toe", zei de koning, "heeft niemand met mij over echte liefde gesproken. Iedereen dacht alleen aan zichzelf; het begon altijd goed maar het liep altijd slecht af. Alle dienaressen, die ik als minnares had en die proefden van mijn welvaart, wilden hun eigenlijke werk niet meer doen. Behalve jij hebben zij allemaal hun eisen gesteld. Jij bent nog niet mijn minnares geweest maar ik voel, dat ik verliefd op jou ben geworden." Het meisje reageerde niet op de liefdesverklaring van de koning en de tijd verstreek. Het oude, gebochelde wijf hoorde de verhalen en ze was benieuwd naar het geduld en de verdraagzaamheid van de koning. Na een tijd vroeg zij om een afspraak bij de koning en ze zei: "Majesteit, U hebt al zoveel ervaring en U hebt dit meisje nog steeds niet in Uw macht. Als U een jong veulen probeert te temmen brengt U een gedresseerd paard naar het veulen en legt een aantal malen een zadel op de rug van het paard zodat het veulen kan zien, dat er niets ernstigs gebeurt." De koning luisterde naar het advies van het oude wijf en kocht weer een aantal minnaressen. Gedurende een periode speelde hij backgammon met de ene, hij dronk een wijntje met een andere en ging met weer een andere naar bed, maar het lukte hem niet het Chinese meisje over te halen de zijne te worden, want zij had begrepen, dat dit hele waanzinnige gedrag van de koning een koekje was van het deeg van het oude, gebochelde wijf. Op een daarvoor geschikte tijd zei het Chinese meisje tegen de koning: "Majesteit, U heeft zelf het verhaal verteld over de eerlijkheid van koning Salomo en koningin Seba tegenover elkaar. Doet U zo omdat U niet meer van mij houdt of wordt Uw gedrag van de afgelopen tijd veroorzaakt door wat het oude gebochelde wijf U gezegd heeft? Majesteit, Uw eerlijkheid zal beloond worden en ik zal de Uwe worden." De koning hoorde de vraag aan en antwoordde: "Ik hou nog steeds van jou en ik heb me zo slecht gedragen door de woorden van het oude gebochelde wijf. Ik wilde de meest waanzinnige dingen wel doen om jou uiteindelijk te krijgen." Toen het meisje het eerlijke antwoord van de koning hoorde gaf ze hem de gouden sleutel van haar hart. Ze kregen zeven zonen en leefden nog lang en gelukkig."

"Ze zag een schat, die geel was,

die prachtig goudgeel was,

het geel dat zijn oorsprong vindt in vreugde,

het geel van saffraan, het volmaakte geel.

Als ze wil zien waarom geel de kleur van saffraan is,

moet ze kijken naar de vreugdevolle lach van degene,

die saffraan heeft gegeten."

 

Toen koning Baahram het verhaal van Hoomay gehoord had trok hij haar naast zich en samen vielen zij in slaap.


3- De bruid van de maandag, de Perzische koningin Dorosti, in de Groene koepel.

 

Op maandag liep de koning in de groene manenschijn naar koningin Dorosti. Ze zaten heel gezellig te praten en koningin Dorosti vertelde het volgende verhaal:

"Er was eens een zeer eerbare vrijgezelle man in Rome. Hij was een geleerde en wist alles, wat een mens maar weten kon. Hij was een edelmoedig man; iedereen noemde hem de weldoener.

Op een dag, toen hij onderweg was, ontmoette hij de liefde in de persoon van een mooie vrouw, die straalde als een heldere maan tussen inktzwarte wolken. Zij liepen naast elkaar verder want de man dacht: het hoort niet dat zij achter mij loopt en als ik achter haar loop, zie ik haar gezicht niet. Voor het eerst in zijn leven verlangde hij er naar, een meisje te bezitten maar tegelijkertijd bedacht hij dat een eerbaar man dit verlangen moest beheersen.

Om uit die gemengde gevoelens te komen ging hij naar Jeruzalem om God om raad te vragen. Hij bad: "Goede God, kunt u mij zeggen wat ik moet doen?" Na een tijd van gebed en meditatie was hij het hele voorgaande vergeten en op de terugweg kreeg hij gezelschap van iemand, die hem vroeg: "Hoe heet jij?" "Ik heet Mens", antwoordde de man.

"Dus de schande van de schepping?" zei de ander. De man vroeg: "Hoe heet jij dan?" "Meliga, de kroon van de schepping!" antwoordde de ander, "en ik weet alles van het goede en slechte van de bergen, de velden, de zeeŽn, de rivieren, de bossen en van wat al niet. Ik ken de oorzaak van alles wat er gebeurt. Ik ken de schoonheid van het heelal en de kometen. Ik weet 5 jaar tevoren, als een koning ten val komt. Jaren tevoren kan ik een tijd van droogte voorspellen. Ik weet alles van geneeswijzen, astrologie, alchimie, edelstenen, eigenlijk van alles wat je maar bedenken en niet bedenken kan. Ik weet eigenlijk overal alles van, ik ben de meester van alle kennis." Nadat hij was uitgesproken verschenen er zwarte wolken aan de hemel. Meliga zag de donkere wolken en vroeg wat neerbuigend aan de mens: "Weet je waarom de ene wolk donker is en de andere licht?" De mens antwoordde: "dat is toch de wil van God. Hij heeft de wolken toch gemaakt." Meliga antwoordde: "Kom nou, donkere wolken brengen toch regen en de lichte brengen alleen maar wat vochtigheid."

Daarop begon het te waaien en Meliga vroeg: "Waarom waait het en kijk niet zo dom als een ezel of een koe naar mij." De mens antwoordde: " Dit is ook de wil van God want zonder zijn wil gebeurt er niets." "Kom nou", zei Meliga, "praat niet tegen mij als een domme grijsaard die alles vergeten is. Natuurlijk is het bekend waarom het waait. Als de wolken bewegen, dan gaat het waaien".

In de verte zagen ze een berg en Meliga zei: "Weet je waarom een berg boven alles uitsteekt?"

De mens antwoordde: "Dat is de schepping van God. Hij heeft besloten sommige dingen hoog te scheppen en andere weer laag." Meliga lachte hem uit en zei hoofdschuddend vanwege de onnozelheid van de mens: "Bergen bestaan om de rivieren binnen hun oevers te houden, zodat er geen overstromingen ontstaan." Ineens riep de mens met een luide stem: "Wie ben jij eigenlijk wel, dat jij meent de wil van God te kunnen ontkennen. Wat jij weet, weet ik ook wel maar wat daarbij komt, alles vindt toch zijn oorsprong in de wil van God."

Ze reisden nog een paar dagen in elkaars gezelschap zonder moeilijke gesprekken tot ze kwamen bij een hete, droge woestijn. Moe en dorstig zagen ze plotseling een prachtige, grote, groene boom, waaronder een enorme bak koel water half in de grond begraven was. Meliga zei: "Beste kameraad, ik wil weten waar deze bak water vandaan komt terwijl nergens bergen en rivieren te zien zijn, die hier koel water kunnen brengen."

De mens antwoordde: "Iemand heeft deze bak als een beloning voor ons hier ingegraven, zodat hij niet om kan vallen door de wind." "Alle antwoorden die jij geeft zijn fout," zei Meliga, "waarom zou iemand moeite doen voor water te zorgen zonder dat hij weet, dat wij hier zullen komen? Ik denk dat jagers zebraís, reeŽn, herten, en berggeiten in een val willen lokken. Als de dieren dan komen drinken kunnen de jagers ze vangen." De mens zei: "Iedereen mag zijn eigen mening hebben. Jij hebt de jouwe en ik heb de mijne." Na wat gegeten en gedronken te hebben riep Meliga: "Ga maar een eind verderop zitten, want ik wil mij even wassen om het zweet en de stof kwijt te raken. Als ik klaar ben zal ik de bak met een steen kapot slaan zodat de jagers de dieren niet meer in de val kunnen lokken en hun vangen."

De mens zei: "Is het jezelf wassen in deze bak jouw manier om te danken voor het feit, dat iemand zo aardig geweest is hier voor goed drinkwater te zorgen. Ken je het gezegde niet dat je niet spuugt in een waterbron, waar je je dorst gelest hebt." Meliga luisterde echter niet, kleedde zich uit en sprong in de bak. Hij, die beweerd had alles te weten, wist echter niet, dat de bak geen bodem had en verdronk daardoor. Nadat de mens een tijd gewacht had en Meliga maar niet bij hem kwam, liep hij naar de bak water om te kijken, waar Meliga bleef. Daar aangekomen vond hij het lijk van Meliga drijvend midden in het water. Hij brak een grote tak van de boom, haalde daarmee het lijk op de kant en begon er tegen te praten: "Jij, die alles zei te weten van bergen en rivieren, astrologie en alchimie, jij bent nu verdronken en ik, die volgens jou niets wist, leef nog steeds. Ik zag in het water een beloning; jij zag in het water een val om dieren te lokken. Jij bent verdronken omdat jij het slechte van mensen verwacht. Ik leef nog omdat ik het goede van mensen zie."

Hij vond in de kleding van Meliga 2000 Egyptische roodgouden munten en nam hem ook de waardevolle tulband van het hoofd met de bedoeling de familie van Meliga op te zoeken en alles af te geven. Daarna groef hij een kuil om Meliga te begraven.

Hij keerde terug in zijn eigen woonplaats en rustte daar een paar dagen uit.

Daarna ging hij op zoek naar de familie van Meliga om de tulband en de munten te brengen. Hij vroeg aan iedereen of men de eigenaar van de tulband kende en uiteindelijk kwam hij terecht bij een groot huis. Hij klopte op de deur en een heel mooie gesluierde vrouw deed de deur open en zei: "Wat kan ik voor u doen?" "Kan ik met de vrouw des huizes spreken want ik ben getuige geweest van de dood van Meliga." De vrouw vroeg hem binnen te komen en leidde hem naar een zit-ruimte. De vrouw zei: "Ik ben de vrouw des huizes. Zegt u het maar." De mens vertelde het hele verhaal van het begin tot het einde en toonde haar de tulband en de gouden munten met de woorden: "Ik heb dit alles meegebracht voor de familie van Meliga en ik geef het u nu."

De vrouw hoorde met tranen in haar ogen het hele verhaal aan en zei dan: "Ik dank je voor alles wat je gedaan hebt. Jij bent een goed mens. Je hebt gelijk. Meliga dacht altijd slecht over mensen en ik heb het dan ook niet goed bij hem gehad. Als ik wat goeds voor hem deed, dan kreeg ik wat slechts terug. Maar goed, hij is nu dood en we spreken geen kwaad over de doden. Maar, ik ben nu een vrouw, die vrij is. Jij bent een goed mens. Ik ben vrij, ik heb een mooi en groot huis en veel geld, als jij dat wilt is dat alles voor jou." Toen deed ze haar sluier weg van haar gezicht en herkende de eerbare man de vrouw, waarnaar hij zo had verlangd.

Hij kon zijn ogen niet geloven en viel in onmacht op de grond. De vrouw knielde naast hem neer en besprenkelde zijn gezicht met rozenwater, zodat hij weer bij kwam.

De man stamelde: "Dit is onbegrijpelijk. Ik heb je een tijd geleden onderweg ergens gezien en verlangde ernaar je te bezitten. Voor een eerbaar man is dat een verlangen, dat niet goed is en daarom ging ik op bedevaart naar de Aksa-moskee om God om hulp te vragen. God heeft mij nu beloond, want mijn verlangen was niet slecht." Toen de vrouw dit hoorde groeide en groeide haar verlangen naar hem.

De man ging weg en keerde naar haar terug met groene kleding voor haar. Ze besloten te trouwen en leefden nog lang en gelukkig."

"Groen is de kleur van wijsheid.

Groen is de kleur van engelen.

Groen is de kleur van de ziel.

Het mooiste wat ogen kunnen zien

is de kleur groen.

Groen is de kleur van groeien en bloeien.

Groen is de kleur van het leven."

Toen koningin Dorosti klaar was met haar verhaal, vielen ze samen in slaap.


4- De bruid van de dinsdag koningin Naasrin-Noesj uit SlavoniŽ, in de Rode koepel.

 

Op dinsdagmorgen ging koning Baahram naar koningin Naasrin-Noesj, die er blozend uitzag. Haar gastvrijheid was rustgevend als de kleur blauw. Die avond vroeg de koning aan zijn "rode appel" hem een verhaal te vertellen.

De koningin begon met een goede wens voor de koning en vertelde daarna dat er op het grondgebied van Rusland een stad lag, die zo mooi was als een bruid. De koning van die stad had een prachtig paleis, waar ook zijn dochter woonde. De prinses had een gelaat, dat nog mooier was dan een volle maan en zij was lang en rijzig als de mooiste boom. Haar lippen waren zoeter dan honing. Ze was als Venus, die het hart van Mars veroverd had. De zoetheid van honing en het licht van een kaars vonden hun oorsprong in haar. Parfum en bloemen kregen hun heerlijke geur van haar. Door haar lange wimpers kregen haar grote, donkere ogen een dromerige blik. Je kon jezelf verliezen als je in die donkere ogen keek. Ze had altijd kuiltjes in haar wangen. Verder was ze ook nog heel intelligent en had alles geleerd, wat het weten waard was. Ze was wijd en zijd bekend en men dacht, dat een prachtige engel op de aarde was neergedaald. Alle grootheden wilden met haar trouwen; de een probeerde het met kracht, de ander met geld en goud maar de prinses was niet in hun geÔnteresseerd. De koning kreeg genoeg van alle grootheden, die om de hand van zijn dochter kwamen en liet voor haar een zeer moeilijk bereikbaar huis bouwen boven op een berg. Hij bedacht namelijk dat je de honing moet wegbrengen als je veel last hebt van darren. Alle wegen, die naar het huis leidden, waren vernietigd; er was alleen nog een verborgen weg naar het huis toe; alleen de prinses zelf wist waar de geheime ingang tot die weg was. Vanaf die tijd woonde de prinses in haar nieuwe huis. Men noemde haar de opgesloten prinses en niemand zag haar meer. Nadat zij een tijd in dat huis gewoond had maakte zij een tekening waarop haar eigen mooie gelaat stond afgebeeld, en ook de vier voorwaarden, waaraan haar toekomstige echtgenoot zou moeten voldoen.

De eerste voorwaarde was, dat de huwelijkskandidaat een goede naam moest hebben en van onbesproken gedrag moest zijn.

De tweede voorwaarde was, dat de huwelijkskandidaat de ingang tot de geheime weg moest vinden en via die weg naar het huis moest komen.

De derde voorwaarde was, dat de huwelijkskandidaat dan de sleutel van de hoofdingang van het huis moest vinden en zo moest binnen komen.

De vierde voorwaarde was, dat de huwelijkskandidaat daarna terug moest gaan naar het paleis van de koning, de vader van de prinses. De prinses zou daar dan ook naar toe komen en de huwelijkskandidaat een aantal vragen stellen. Als de huwelijkskandidaat alle vragen goed beantwoord had, beloofde de prinses met hem te trouwen.

Als de kandidaat echter niet aan de voorwaarden kon voldoen, werd hij onthoofd en zijn hoofd werd onderaan de berg tentoongesteld.

De tekening werd aan de voet van de berg opgehangen zodat iedereen, die met de prinses zou willen trouwen, wist wat hem te doen stond. Vanaf het moment dat de tekening was opgehangen probeerden heel veel jonge en oudere mannen het huis van de prinses te bereiken maar het lukte niemand. De mannen werden de een na de andere onthoofd en de wegen rond de berg waren versierd, niet met bloemen en vlaggen maar met de gruwelijke hoofden.

Er was echter een prins, die jong, mooi en onafhankelijk was. Hij jaagde op leeuwen en op een dag, dat hij op jacht was, kwam hij bij de berg, waar alle hoofden hingen. Hij zag op de tekening de afbeelding van het gelaat van de prinses en verloor onmiddellijk zijn hart. Hij dacht bij zichzelf: "Is het hoofd van deze ene prinses alle hoofden, die hier hangen, waard?" Hij liep de hele dag rusteloos rond aan de voet van de berg maar praatte met niemand. Dagen waren geen dagen meer, nachten waren geen nachten meer. Hij kon alleen nog maar aan haar denken. "Er zit niets anders op, ik moet aan alle voorwaarden voldoen." Hij vroeg aan iedereen die hij tegen kwam of ze de geheime ingang tot de weg kenden, maar niemand kon hem helpen. Uiteindelijk besloot hij naar de legendarische vogel Simorq te gaan en kwam aan bij de berg, waarop de vogel Simorq zijn nest had. De prins bleef een paar dagen bij Simorq en vertelde hem, dat hij verliefd was op de prinses. Hij vertelde over de voorwaarden van de prinses en over alle gruwelijke hoofden, die hij had gezien. Hij vertelde, dat niemand hem kon vertellen waar die ingang naar de geheime weg was en dat hij daarom naar Simorq was gekomen om haar om hulp te vragen. Simorq vertelde de prins alles wat hij weten wilde over de vier voorwaarden. De prins keerde terug naar de berg van de prinses en hij slaagde erin de toegang tot de geheime weg te vinden en het huis van de prinses te bereiken. Hij trok een steen weg uit de muur naast de deur, zoals Simorq hem had verteld, vond de sleutel en opende de daarmee de deur van het huis. De prinses verwelkomde hem en zei: "Kom over twee dagen naar het huis van mijn vader. Ik zal daar dan ook zijn en jou vier vragen stellen. Als jij alle vier vragen goed beantwoordt, zal ik de jouwe zijn." De prins deed wat hem gezegd was en alle bewoners van de stad waren zeer verheugd, dat hij het huis van de prinses was binnen gegaan. Ze hadden er genoeg van elke dag weer een onthoofding te moeten zien en waren blij, dat daaraan nu een eind gekomen was. Zoals beloofd kwam de prinses naar de stad, naar het paleis van haar vader, die daar erg blij mee was. Ze vertelde haar vader dat de prins een goede naam had en van onbesproken gedrag was, dat hij over de geheime weg bij haar huis was gekomen en met de sleutel de deur had opgemaakt. Nu moest hij nog de vier vragen goed beantwoorden, die zij hem zou stellen. Alle grootheden uit de stad werden uitgenodigd om hierbij te zijn en bevonden zich in de zaal, toen de prins in het paleis kwam. De prinses zag hij niet; zij had zich verborgen achter een gordijn. Na de maaltijd gaf de prinses twee parels aan haar hofdame en zei: "Ga met deze parels naar de prins." De hofdame gaf de twee parels aan de prins waarop de prins drie parels uit zijn zak haalde en tegen de hofdame zei: "Breng alle vijf parels terug naar de prinses." De prinses bekeek de parels en zag, dat ze alle vijf gelijk waren, zodat zij haar eigen twee parels niet meer kon herkennen. De prinses gaf twee parels van de vijf aan de hofdame en zei: "Ga met deze parels naar de prins." Toen de prins de twee parels gekregen had vroeg hij de hofdame om een beker melk. Hij liet de twee parels in de melk vallen, roerde en zag, dat de twee parels smolten. Ze waren van suiker. Hij gaf de beker melk daarop weer aan de hofdame en zei: "Breng deze beker melk naar de prinses." De prinses dronk een beetje van de melk en van wat er overbleef maakte zij deeg. Zij nam haar ring met edelstenen van haar vinger en zei tegen haar hofdame: "Breng deze ring naar de prins." De prins deed de ring om een van zijn vingers en nam uit zijn zak een ring met dezelfde edelstenen als in de ring van de prinses zaten. De hofdame bracht de ring van de prins naar de prinses. Toen de prinses de ring van de hofdame kreeg begon zij te lachen en kwam achter het gordijn vandaan. Ze zei tegen haar vader: "Hier staat de man, met wie ik zal gaan trouwen, want hij weet meer dan ik." De vader zei: "Ik heb helemaal geen vragen gehoord; ik heb alleen de hofdame maar met parels en ringen heen en weer zien lopen. Wat had dat allemaal te betekenen en waarom wordt deze prins nu jouw man?" De prinses antwoordde: "Toen ik twee parels mee gaf wilde ik daarmee zeggen: het leven is niet langer dan twee dagen; het leven gaat heel snel voorbij. Door drie parels bij de mijne te voegen zei hij mij: met zijn tweeŽn zal het leven wel vijf dagen lang lijken. Daarna stuurde ik hem weer twee parels, een van suiker en een echte. Ik wilde hem zeggen: het leven is net als deze parels; wat is echt en wat is niet echt. Door de parels in de melk te roeren zei de prins mij: het echte en het niet echte leven zijn altijd te herkennen door de beproeving. Door de melk te drinken liet ik zien dat mijn kennis die van een kind is, vergeleken met die van hem. Door hem mijn ring te sturen liet ik weten, dat ik met hem wilde trouwen. Toen ik weer een ring terug kreeg, dat ik dat het mijn eigen ring was. Maar dat bleek niet zo te zijn. De edelsteen van zijn ring bleek de edelsteen van de liefde te zijn, waarop ik al jaren heb gewacht."

Toen de koning zag, dat zijn dochter de man van haar dromen gevonden had, gaf hij een groot feest voor haar. De prins gaf rode kleren aan zijn bruid. Daardoor werd haar naam veranderd in: de prinses van de rode kleren en ze leefden nog lang en gelukkig.

 

Het rood is een nieuw sieraad

De robijn is waardevol door het rood

Bloed in de aderen is rood

Het is rood want het leeft

Mooie mensen zijn vaak blozende mensen

want onder hun huid stroomt hun bloed

De roos is slechts de koningin van de tuinen

als ze een rode kleur heeft.

Toen koningin Naasrin-Noesj uitverteld was, trok koning Baahram zijn "rode appel" naar zich toe en zij vielen samen in slaap.


5- De bruid van de woensdag, de Marokkaanse koningin Azaariyoen, in de Blauwe koepel.

 

Op een woensdag, toen de dag kort was en het verlangen lang, ging koning Baahram naar koningin Azaariyoen, groette haar koninklijk, waarna ze gezellig bij elkaar zaten. Koningin Azzariyoen begon te vertellen:

"Majesteit, koning van de hele wereld, duizenden zoals ik en beter dan ik kussen de grond waarop u loopt.

In Egypte leefde een koopman, Mahan geheten. Hij was zo mooi als de volle maan. Hij hoorde bij een kring van vrienden die gezellig met elkaar leefden. Op een dag nam een edelman hem als zijn gast mee naar een feest, dat bij hem op zijn erf, ver buiten de stad, gehouden werd. Zij dronken wijn en aten af en toe wat fruit. In de nacht scheen de maan en Mahan voelde zich vrolijk en opgewekt door de wijn. Hij liep door de tuin van zijn gastheer en kwam terecht in een prachtige palmentuin. Daar kwam hij zijn compagnon tegen, die hem vriendelijk groette. Mahan vroeg hem: "Hoe kom jij hier zo zonder vriend of bediende?"

De ander antwoordde: "Ik kom net van een heel lange reis terug, waar ik heel goede zaken gedaan heb. Ik kwam te laat bij de stadspoort, die toen gesloten was. Toen hoorde ik dat jij hier in de buurt op een feest was en besloot jou op te zoeken om te vertellen hoeveel wij verdiend hebben. Om minder belasting te hoeven betalen moeten wij eerst maar wat van deze verdiensten voor ons zelf houden en de rest in onze boekhouding verwerken." Mahan vond dat een goed idee en zonder iets tegen de gastheer te zeggen verlieten zij het feest. Het was al ver na middernacht toen Mahan bij zichzelf dacht: we hebben nu al meer dan 20 kilometer gelopen; waar gaan we nu eigenlijk naar toe? Ik kan wel teveel gedronken hebben, maar mijn compagnon is broodnuchter en hij weet de weg. Zo liepen ze vermoeid het laatste stuk van de weg tot ze het kraaien van de hanen in de dageraad hoorden. Mahan zocht een plekje om zijn roes uit te slapen, terwijl zijn compagnon verder ging. Mahan werd in de middag nog met een kater wakker en ontdekte, dat hij in een bloemloze tuin lag. In elke hoek van de tuin zag hij een doorgang en voor elke doorgang lagen slangen, die op draken leken. Tot ver in de nacht liep hij wanhopig door de tuin totdat hij bewusteloos raakte. Na een poosje hoorde hij een man en een vrouw die met elkaar praatten. Op hun rug droegen zij hun bagage. De vrouw kwam naar Mahan toe en zei: "Wie ben jij en wat doe jij hier?" Mahan antwoordde: "Ik ben een vreemdeling hier en ik heet Mahan." "Hoe ben jij hier terecht gekomen," vroeg de vrouw, "want dit hier is een duivelsplaats waar zelfs leeuwen en panters niet durven komen." Mahan zei: "Ik weet zelf niet meer hoe ik hier terecht ben gekomen. Ik had gisteravond een feest bij een edelman toen ik mijn compagnon daar ontmoette. Met hem ben ik op weg gegaan en hij heeft me op deze duivelsplaats achtergelaten. Wilt u mij alstublieft helpen om hier vandaan te komen?" De metgezel van de vrouw zei: "Oh goede man, degene die jou hier gebracht heeft was een duivel en zijn naam is Hayel Beiyanie.

Hij wilde jou vermoorden en hij heeft inmiddels al honderden mensen vermoord. Wij willen jou wel helpen." Mahan liep tussen hun in met hen mee en ze liepen tot de volgende morgen vroeg. De volgende morgen was Mahan duizelig van vermoeidheid en toen hij later opkeek, bleken de man en de vrouw verdwenen. Hij bevond zich aan de voet van een berg in een gebied vol tijgers. Hij was zo hongerig dat hij plantenwortels zocht om te eten. Hij liep Ďs avonds tussen de bergen tot hij in de nacht een grot vond, waar hij kon slapen. Toen hij nog maar net sliep hoorde hij het geluid van een naderende ruiter, die een tweede paard meevoerde. De ruiter vroeg: "Man, wat doe jij hier?" Mahan vertelde hem zijn hele verhaal waarop de ruiter zei: "De man en vrouw die jou hier hebben gebracht waren in werkelijkheid een paar duivels, die een slachtoffer zochten om te vermoorden. Als dat niet lukt, verdwijnen ze. De naam van de man is Qila en de vrouw heet Hila. Je hoeft nu echter niet meer bang te zijn, want ik zal jou helpen. Stap maar op mijn andere paard en dan gaan we samen op weg." Na een lange rit, toen ze de bergen achter zich gelaten hadden, kwamen ze uiteindelijk op een prachtig weide waar Mahan uit allerlei richtingen vriendelijke stemmen hoorde: "Kom bij ons. Proost. Feest met ons." Hij reed een uurtje rond en zag toen in de verte duizenden fakkels. Uit de richting van de fakkels kwam een aantal zwarte dieren op hem af, met zwarte hoeden op en zwarte mantels aan. Ze hadden 2 horens en een lange slurf. De dieren hadden elk een fakkel in hun handen en uit hun zingende monden kwam vuur. Op het geluid van de zang van de dieren begon het paard van Mahan te dansen en toen Mahan eens goed naar zijn paard keek zag hij, dat zijn paard veranderd was in een dier met vier poten, twee vleugels en zeven drakenkoppen. Zijn paard probeerde hem van zijn rug af op de grond te gooien maar Mahan hield goed vast. Uiteindelijk, bij zonsopgang, kwam Mahan toch bewusteloos op de grond terecht. Na een paar uur werd hij wakker en bevond zich in een eindeloze woestijn, die rood was als bloed en heet als de hel. Hij liep een hele dag verdwaasd rond in de woestijn. Ďs Avonds, toen hij weer dacht bij een fata morgana te komen, bleek het een echte oase te zijn, waar hij water en vruchten vond. Hij dronk van het water en besloot bij de oase, in een hol, te blijven slapen. Net voor hij in slaap viel zag hij een heldere lichtbundel door de ingang van zijn slaapplaats naar binnen vallen. Hij keek met zijn hoofd door de ingang naar buiten om te kijken, waar het prachtige licht vandaan kwam. Hij zag een prachtige vruchtentuin, die leek op de tuin, waarvan hij gehoord had in verhalen over de hemel. Hij at wat van de vruchten en zag toen een oude tuinman met een stok in zijn hand aankomen. "Oh, dus jij bent de dievenduivel, die altijd mijn vruchten steelt." Mahan zei: "Jij moet niet zo snel met je oordeel klaar staan," en vertelde zijn verhaal. Toen de oude tuinman het hele verhaal had gehoord zei hij: "Ik kan je met heel veel plezier vertellen, dat er nu een einde gekomen is aan al jouw ellende. Je bent hier nu veilig. Alle duivels, die je meegemaakt hebt, zijn allemaal ooit mensen geweest. Door hun kwaadwilligheid lijken ze veranderd in duivels. Als je angstig bent voor mensen, lijken het duivels te zijn. Aan deze tuin heb ik zelf heel hard gewerkt en alle vruchten, die hier groeien, zijn goede vruchten. Ik heb met de verkoop van de vruchten goed verdiend maar helaas, ik heb geen kind, aan wie ik deze tuin kan overdragen. Ik denk, dat God jou op mijn weg heeft geplaatst om mijn zoon te zijn. Blijf dus hier en ik zal een bruid voor jou vinden. Jullie kunnen dan hier blijven en deze tuin met al haar rijkdommen zal van jullie zijn." Ze gaven elkaar een hand en de oude man zei: "Kom mijn zoon, ik neem je mee naar huis." Ze kwamen bij een prachtig paleis met tapijten op de vloeren, met mooie schilderijen aan de wanden, met gouden deuren en koepels. De oude tuinman bracht Mahan naar een slaapkamer, waar ook een prachtige boom stond, waaronder zich een kleine fontein bevond. De oude man zei: "Hoog aan deze boom hangt een mand met eten, die je met deze ladder kunt bereiken; neem wat van het eten en drink van het water van de fontein. Ik ga nu weg om alles voor te bereiden voor morgen. Je kunt hier blijven slapen en verlaat deze kamer niet, voordat ik weer bij jou ben gekomen. Als er iemand hier komt om met jou te praten, luister dan niet en hou je doof. Denk aan wat ik je heb gezegd. Het huis wordt jouw huis, de tuin wordt jouw tuin. Slaap maar lekker en ik kom morgen terug." De man verdween en Mahan haalde wat eten uit de mand in de boom en zag toen in de verte 20 prachtige vrouwen aankomen. De mooiste vrouw liep voorop en allen hadden ze brandende kaarsen in hun handen. Ze kwam bij de fontein in zijn slaapkamer. Ze zetten wijn, noten en suikergoed rond de fontein en begonnen te dansen en te feesten. Mahan zat nog boven in de boom maar wilde graag met de vrouwen mee feesten. Hij herinnerde zich echter de woorden van de oude man en bleef waar hij was. Na een uurtje feesten, toen de vrouwen door de wijn wat vrolijk geworden waren, zei de mooiste vrouw: "Ik voel, dat hier ook een man is. Waarom feest hij niet met ons mee?" Toen Mahan dit hoorde kwam Mahan van boven uit de boom naar beneden. Hij groette de vrouwen en kreeg van hen de eerste beker wijn. Na een tweede en derde beker verdween zijn verlegenheid en hij nam de mooiste vrouw in zijn armen. Toen hij haar een kus wilde geven zag hij vuur uit haar mond komen en de vrouw veranderde in een buffel. De buffel kuste de man en zei: "Jij bent nu mijn gevangene." Ze kuste hem weer en Mahan werd steeds banger. Hij verloor het bewustzijn en toen hij weer bij kwam zag hij niets meer van de prachtige tuin, waar hij geweest was.

Hij dacht bij zichzelf: "Wat is dat toch, wat ik allemaal mee maak? Vannacht was ik in een prachtig paleis in een prachtige tuin en nu ben ik in een dorre woestijn. Alle bloemen van de tuin zijn veranderd in dorens in de woestijn." Hij huilde en opgelucht ging hij daarna weer op weg en kwam bij een bron en schepte met zijn hand wat water om te drinken. Hij hief zijn hoofd naar boven en vroeg aan zijn God om bevrijding van alle moeilijkheden, die hij had. Na zijn gebed keek hij om zich heen en zag een in het groen geklede man, die heel veel op hem zelf leek. Hij vroeg aan zijn evenbeeld: "Wie bent u eigenlijk?" De ander zei: "Ik ben de profeet Ilias en ik kom om jou te bevrijden. Door mijn komst wordt je beloond voor al het goede dat je vroeger hebt gedaan en voor al jouw goede gedachten. Geef me je hand." Mahan legde zijn hand in de hand van Ilias en bevond zich toen weer in Egypte, in de prachtige palmentuin, waar alles was begonnen.

Hij vertelde alles wat hij meegemaakt had aan zijn kring vrienden. Vanaf die dag droeg hij altijd blauwe kleren, en in zijn blauwe kleding leeft hij nog steeds lang en gelukkig."

 

Blauw is de mooiste kleur,

die de hemelen hebben gekozen.

Wie de kleur blauw kiest

heeft de goedkeuring van de hemelen.

De zon is mooi

als hij in de blauw hemel opkomt.

Als de zon beweegt in het blauw

volgt de zonnebloem hem.

 

Toen koningin Azaaryoen klaar was met haar verhaal, trok de koning haar naar zich toe en samen vielen zij in slaap.


6- De bruid van de donderdag, de Chinese koningin Jaaqma-Naz, in de koepel met de kleur van de sandelboom.

 

Op een goede donderdag, toen koningin Jaaqma-Naz sandelhout-wierook brandde, kwam koning Baahram vanuit de blauwe koepel naar haar toe. De hele dag dronk hij bekers wijn en at hij lekkere spijzen. Tegen de avond vroeg koning Baahram de koningin hem haar verhaal te vertellen. Koningin Jaaqma-Naz kuste de hand van de koning en begon:

"Majesteit, eer van het hele bestaan, grootste koning der koningen.

Er waren eens twee jongens die hun stad verlieten met hun bagage voor onderweg op hun rug. De ene heette "de Goede", de andere heette "de Kwade".

Gedurende de eerste drie dagen deelde de Goede zijn eten en drinken met de Kwade, terwijl de Kwade zijn eten en drinken bewaarde. Toen zij bij een heel hete woestijn aan kwamen was het eten en drinken van de Goede op. Toen de Kwade wat water droeg, vroeg de Goede hem ook om water, maar de Kwade zei: "Jij krijgt geen water van mij." De Goede toonde hem twee smaragden met de woorden: "deze smaragden zijn voor jou als ik wat water krijg." De Kwade zei: "Nee, dat wil ik niet. Als we weer terug zijn in de stad vertel jij aan iedereen hoe ik aan de smaragden kom en dat is niet goed voor mijn naam. Ik wil wel water ruilen voor andere edelstenen." "Wat voor edelstenen dan?" vroeg de Goede. "Ik wil jouw ogen; dan krijg jij water," zei de Kwade. De Goede antwoordde: "Man, wat is dat nu voor ruil. Ik zweer met de hand op mijn hart dat ik in de stad niets zal vertellen over hoe jij aan de smaragden gekomen bent." De Kwade zei echter: "Nee, ik wil dat niet. Als je water wil hebben moet je doen wat ik wil en je ogen daarvoor geven." De Goede dacht daar een uurtje over na en besefte, dat hij de droogte van de woestijn zonder water niet zou overleven. Hij zei daarom tegen de Kwade: "Wij moeten maar doen wat jij wil. Geef mij water en jij krijgt mijn ogen." De Kwade stak met een doorn de ogen uit het hoofd van de Goede, nam daarop de kleding, de sieraden en de overige bagage van de Goede mee en vertrok, de Goede alleen achter latend. De Goede dankte God, dat hij niet kon zien dat hij alleen was achtergebleven in de hete woestijn en ook omdat de Kwade niet meer bij hem was.

In die woestijn was op dat moment ook een rijke Koerd, een grootheid, die heel veel kuddes schapen bezat en huizen. Deze Koerd was gewend meestal zelf met zijn kuddes overal naar toe te trekken. De Koerd had een mooie dochter bij zich, die op een dag onderweg was naar een bron om een kruik water te halen. Op de terugweg hoorde zij iemand klagen en ging naar hem toe. Zij trof een jonge man aan en vroeg hem: "Wat doe jij hier en waarom is jouw gezicht zo bebloed. Wie heeft je zo mishandeld?" De Goede antwoordde: "Ik kan je niet zien, maar je lijkt wel een engel. Ik kan een heleboel vertellen maar op dit moment heb ik erge dorst." Het meisje gaf de Goede wat water te drinken en daarna vertelde hij haar zijn hele verhaal. Toen hij zich weer wat beter voelde nam zij hem mee naar een van de knechten van haar vader en zei: "Pas op deze jonge man". Toen ging zij naar haar moeder en vertelde wat er was gebeurd waarop de moeder zei: "Waarom heb je die jonge man niet naar mij gebracht?" De Goede werd naar hun eigen tent gehaald en zij gaven hem eten en drinken en zij boden hem een slaapplaats aan. Tegen de avond kwam de Koerd thuis en zijn dochter vertelde hem, wat er die dag was gebeurd. Door het gepraat was de Goede inmiddels wakker geworden en de Koerd zei tegen hem: ". Als je twee bladeren van een sandelboom fijn maakt en er met water een papje van maakt en op je oogkassen legt kan je weer zien. Als je wat meer bladeren gebruikt, worden ook al je ziektes genezen." Smekend vroeg de dochter haar vader een aantal bladeren van die boom voor de jonge man te gaan halen. Toen de Koerd met de bladeren terug kwam maakte de dochter er een papje van en legde dat op de ogen van de Goede en dekte zijn ogen af met een doek. Na vijf dagen verwijderde zij de doek en de Goede kon weer zien. Het meisje en de jonge man waren vanaf het begin verliefd op elkaar, maar vertelden dat niet aan elkaar. Toen hij haar eindelijk na vijf dagen kon zien, was hij zo door haar schoonheid getroffen, dat hij in stilte dubbel verliefd werd.

Uit dankbaarheid voor zijn genezing besloot de Goede de Koerd te helpen bij zijn werk en na een poosje ontwikkelde de Goede zich tot de rechterhand van de Koerd. Hij durfde echter nog steeds niet het meisje zijn liefde te verklaren omdat hij vond, dat een arme jonge man geen partij was voor een mooie rijke jonge vrouw. Uiteindelijk bedacht hij, dat hij beter weg kon gaan. Het was voor hem niet mogelijk met deze stille liefde te leven. Op een avond ging hij naar de Koerd toe en zei: "Ik dank u voor alles, wat u voor mij hebt gedaan, maar ik wil graag terug naar mijn stad en mijn familie." Toen de Koerd dit hoorde zei hij: "Ik ben ouder en wijzer dan je denkt, jonge man. Wil jij terug naar je stad en je familie of vlucht je voor de liefde, die je hier hebt gevonden.? Ik weet, dat het laatste de echte reden is waarom je weg wilt. Je hoeft ons helemaal niet te verlaten want ik weet al lang, dat mijn dochter jou ook heel graag mag. Bovendien word ik zo langzamerhand ook een dagje ouder en ik zou graag zien, dat jij en mijn dochter de zorg over mijn kuddes en mijn huizen van mij over zouden nemen. Ik kan het dan wat rustiger aan gaan doen." Toen de Goede dit alles hoorde viel hij op de knieŽn en dankte God. Er werd een paar dagen lang een bruiloftsfeest gevierd. De Goede haalde een heleboel bladeren van de sandelboom op en gaf alle zieken die hij ontmoette wat van deze bladeren als geneesmiddel. Op een dag kwam de Goede met kuddes aan bij een stad. De dochter van de koning van die stad leed aan epilepsie. De koning had gezegd: "Degene, die mijn dochter genezen kan, mag met haar trouwen. Als het geneesmiddel van de huwelijkskandidaat echter niet werkt, zal hij onthoofd worden." Heel veel geneesheren waren dan ook al onthoofd. Toen de Goede dit hoorde zond hij een gezant naar de koning met de volgende boodschap: "Ik wil uw dochter graag helpen, maar ik heb nog nooit iets voor iemand gedaan om er iets voor terug te krijgen. Dat wil ik ook nu niet." De koning nodigde hem uit naar zijn paleis te komen en vroeg toen: "Wie bent u eigenlijk? Wat is uw naam?" "Ik ben de Goede," antwoordde de jonge man. De koning gaf een hofdame opdracht de Goede naar de kamer van de prinses te brengen. De Goede maakte een papje van de bladeren en vroeg de prinses het medicijn op te eten. Na drie dagen moest de prinses dan beter zijn. Na drie dagen ging de koning naar zijn dochter en het bleek, dat zij helemaal genezen was. Zij dankten God voor haar genezing en gaven een groot feest. Na een paar dagen stuurde de prinses ťťn van haar hofdames naar de koning met de boodschap: "Ik wil met niemand anders trouwen dan met de man, die mij genezen heeft." De soldaten van de koning hebben daarop de Goede gezocht en naar de koning gebracht. De koning gaf hem prachtige kleding en andere geschenken. Daarna trouwde hij met de prinses en werd later de koning van de stad.

Op een dag, toen koning de Goede onderweg was naar ťťn van zijn tuinen, zag hij plotseling zijn vroegere reisgenoot, de Kwade. Toen hij bij zijn tuin aankwam, gaf hij ťťn van zijn dienaren opdracht de Kwade naar zijn paleis te brengen: "De koning wil met jou praten." Koning de Goede vroeg: "Wat is jouw naam en waar kom je vandaan?" De Kwade kuste de grond en antwoordde: "Mijn naam is de Gids!" Koning de Goede vroeg: "Is dat jouw enige naam?" De Gids antwoordde bevestigend. Toen zei de koning woedend: "Daar klopt niets van. Jij bent de Kwade en jouw gedrag is nog erger dan jouw naam. Ben jij niet diegene die ogen uitstak in ruil voor water? Ben jij niet diegene, die dat water toen niet gegeven heeft en alle bagage van je reisgenoot hebt meegenomen. Ben jij niet diegene, die daarop zijn blinde reisgenoot alleen in de woestijn heeft achtergelaten? Ik ben die blinde reisgenoot, maar God heeft mij beloond en mij mijn ogen terug gegeven. Nu ben ik hier de koning en ik zal bevel geven je te onthoofden. " De Kwade keek de koning heel goed aan en herkende in hem toen zijn vroegere reisgenoot. "U moet niet kijken naar wat ik heb gedaan. U moet boos zijn op diegene, die ons onze namen heeft gegeven. Ik doe kwaad omdat ik zo heet. U moet goed zijn, omdat U de Goede heet." Toen de koning dit hoorde vergaf hij de Kwade, waarop de Kwade de twee smaragden, die hij destijds van de Goede gestolen had, uit zijn zak haalde en zei: "Deze twee smaragden zijn van u en ze behoren u toe." De koning weigerde de smaragden aan te nemen en zei: "Je kunt ze behouden en naar huis toe gaan." Nog altijd haalde de koning bladeren van de sandelboom en gaf ze als medicijn aan iedereen, die het nodig had en leefde zo nog heel lang en gelukkig."

Kleding moet de kleur hebben van de sandelboom

De kleur van de sandelboom is de kleur van genezing

De kleur van de sandelboom geeft rust

De wierook van de sandelboom neemt alle hoofdpijnen weg

evenals pijnen in het hart en in de ziel

Toen de Chinese koningin uitverteld was trok koning Baahram haar naar zich toe en samen vielen zij in slaap.


7- De bruid van de vrijdag koningin Naz-Paari uit de Sasaniden-dynastie, in de Witte koepel.

 

Op een vrijdagmiddag ging koning Baahram, gekleed in een witte mantel, naar zijn bruid Naz-Paari. Ze aten en dronken wat en daarna begon koningin Naz-Paari met haar vertelling:

"Majesteit, er was eens een jonge geleerde, die prachtig spreken kon. Bovendien was hij in zijn doen en laten een goed mens. Hij woonde in een huis, omringd door boomgaarden, waar alle mogelijke vogels van de verschillende seizoenen vrij rond vlogen. Iedereen wilde wel zo wonen zoals hij. Aan het eind van elke week wandelde hij een paar uur in zijn boomgaarden en daarbuiten. Toen hij op een dag na een wandeling bij zijn eigen tuin terug kwam merkte hij, dat hij de sleutel van de toegangspoort vergeten was. Hij kroop door een gat in de heg en werd betrapt door 2 meisjes, die hem niet kenden. Ze begonnen hem met een stok te slaan en riepen: "Houd de dief, houd de dief." De man riep verschrikt: "Welke dief? Waar zijn jullie mee bezig? Dit is toch mijn eigen boomgaard." De meisjes geloofden hem niet en stelden hem een vraag over zijn boomgaard, waarop allen de eigenaar het antwoord kon weten. De man beantwoordde de vraag goed waarop de meisjes hem hun excuses aanboden. Ze zeiden: "Wij hebben alle mooie vrouwen en meisjes van de hele stad hier naartoe gebracht, want ze willen allemaal bij u horen." Ze brachten hem naar een naar een prachtige met kaarsen en bloemen versierde zaal waar alle vrouwen en meisjes zich bevonden. De ene was nog mooier dan de andere. Ze maakten grapjes met hem en ze probeerden allemaal zo dicht mogelijk bij hem te komen. Ze hadden een paar uur plezier met elkaar toen de 2 mooie meisjes naar de jonge geleerde toe kwamen en vroegen: "Hebt u uw keuze gemaakt, goede man? Welke vrouw bevalt u het beste?" De man was een beetje overdonderd maar hij had wel zijn keuze laten vallen op een bijzonder mooie vrouw. De 2 meisjes verlieten, samen met de overige vrouwen en meisjes, de zaal. De man, alleen met de vrouw van zijn keuze achtergebleven, vroeg haar: "Hoe heet jij?" "Het Geluk", antwoordde de vrouw. "Waar woon jij?" "Op de troon", antwoordde de vrouw. "Waar kom je vandaan?" "Vanuit het licht", antwoordde de vrouw. "Vrede zij jou; mag ik een kus van jou?" "Je krijgt er zestig", antwoordde de vrouw. "Krijg ik nu de eerste?" "Ja", antwoordde de vrouw. De man nam de vrouw in zijn armen en op het moment dat zij elkaar voor de eerste keer kusten leek het voor de man, alsof de grond onder zijn voeten weg zonk.

Toen hij weer bij zijn positieven kwam was de mooie vrouw verdwenen en stond hij midden in de kamer van zijn eigen huis. Hij was heel verdrietig en vanaf die dag speelde hij veel op zijn harp en maakte het volgende klaaglied:

"Ik en mijn harp groeten alle verliefden der aarde

Iemand die verliefd is, is altijd moe en gebroken

Hoe lang moet ik zwijgen over mijn liefde?

Ik roep luid: ik ben verliefd, ik ben verliefd.

Verliefd zijn houdt nooit op

Nooit, nooit, nooit!"

De jonge geleerde zong dit klaaglied elke dag vele malen. Op een dag hoorden de twee meisjes zijn lied en zij vroegen hem: "Wat is er met jou aan de hand?" Hij vertelde het verhaal van zijn eerste kus. De meisjes hadden medelijden met hem en beloofden die avond terug te zullen komen en hem te helpen. Die avond kwamen de twee meisjes terug met in hun gezelschap de mooie vrouw. De meisjes lieten de twee alleen en de jonge geleerde en de mooie vrouw zaten gezellig bij elkaar en aten en dronken wat. De man nam de vrouw weer in zijn armen, ze kusten elkaar en weer zonk de grond onder zijn voeten weg. Op dat moment sprong er plotseling met veel gemiauw een kat door het raam en stortte zich op een muis, die in een hoek van de kamer zat. De man kwam weer bij zijn positieven en tot zijn grote verdriet was de vrouw weer verdwenen. Hij nam zijn harp en begon het volgende klaaglied te zingen:

"De bloemen bloeiden; het was lente

De nachtegalen zongen; het was vrede

De tuin lag er prachtig bij

en de koning kwam om ernaar te kijken

De koning wilde drinken uit een beker

die brak door een geworpen steen"

De twee meisjes hoorden weer zijn klaaglied en hebben op een avond de mooie vrouw weer gevonden en naar de jonge geleerde gebracht. Weer zaten de geliefden bij elkaar en gaven elkaar hun eerste kus. In hun nabijheid hing een touw met daaraan een aantal grote pompoenen. Opeens kwam er een grote vogel, die het touw met zijn vlijmscherpe snavel door sneed. De pompoenen vielen met een geluid als van slaande trommels op de grond; de man keek op en merkte weer, dat hij alleen was.

Hij nam weer zijn harp en hief het volgende klaaglied aan:

"Twee verliefden waren bij elkaar

Hij wilde zijn geliefde kussen

Waarom ging toch alles mis

Hun liefde was toch goed?"

De twee meisjes hoorden weer zijn klaaglied en ze zeiden tegen de jonge geleerde: "Goede man, wij willen je best weer helpen maar voordat we de mooie vrouw weer naar je toe brengen moet je ervoor zorgen, dat er in en rond je huis niets meer kan gebeuren. Wij zullen ons verbergen en erop toezien, dat er niets mis kan gaan. In de tuin van de man bevond zich een jasmijn. Onder die prachtige boom maakte de man een huisje om de mooie vrouw naartoe te brengen. ĎS Avonds brachten de twee meisjes de mooie vrouw weer naar de man en verborgen zich, zonder dat de mooie vrouw dat wist. De jonge geleerde ging met de mooie vrouw naar het huisje onder de jasmijn. Ze zaten gezellig bij elkaar en terwijl hij haar in zijn armen nam kusten ze elkaar. Op dat moment zag de man een paar vossen in de tuin, die achtervolgd werden door een wolf. De mooie vrouw schrok en wilde vluchten. Op dat moment kwam de twee meisjes te voorschijn, pakten de vrouw vast en zeiden: "Wat voor spelletje speel jij met deze arme man. Ben je hem aan het betoveren?" De vrouw zwoor met haar hand op haar hart, dat zij helemaal geen spelletje speelde. Ze zei: "Dit alles is niet mijn schuld; het is de schuld van de omgeving hier. Ik ben ook verliefd op hem. Ik denk dat het beter is dat we naar de stad gaan en daar trouwen." Begeleid door de twee meisjes gingen de jonge geleerde en de mooie vrouw naar de stad. Ze trouwden daar en zo leefden nog lang en gelukkig.

 

"De bron van de zon is helder

De oorsprong van de zon is wit

Het licht van de dag is wit

De maan is de duisternis is wit

Alle kleuren zijn besmet door een kleur

behalve het wit

Wat niet besmet is, is wit

Het kleed van een bruid is ook wit."

Toen koningin Naz-Paari aan het eind van haar verhaal gekomen was trok de koning haar naar zich toe en samen vielen zij in slaap.

EINDE